Skip to content

bitterlemon.eu

Sections
Personal tools
You are here: Home » introductie » commentaren » Mei 1968 24 juni 2008 * Gennez

Mei 1968 24 juni 2008 * Gennez

CAROLINE GENNEZ EN DE ERFENIS VAN MEI 1968

door Tom Potoms

Mei 1968

We konden onlangs nog de veertigste verjaardag van mei 1968 "vieren". De meeste reacties op de gebeurtenissen die plaatsgrepen in dat beschouwde jaar waren positief en gingen in de richting van een algemene zucht van opluchting.

Dit was zeker het geval in de publieke wereld en het politieke leven, tot op het ogenblik dat N-VA-voorzitter Bart De Wever op 26 mei een artikel (“De ravage na de seksuele revolutie”) schreef voor de krant De Morgen waarin hij de zogenaamde ‘positieve verwezenlijkingen’ van mei ’68 op de korrel nam. Hierop kon uiteraard geen antwoord uitblijven vanwege de culturele linkerzijde in Vlaanderen, en ditmaal was het SP.a-voorzitster Caroline Gennez de gecommitteerde van dienst. Zij betitelde De Wever zijn betoog als zijnde ‘gemoraliseer’ en ‘Sehnsucht naar normen van een geconstrueerd idyllisch verleden’. Het is wel bizar en quasi contradictorisch in Gennez haar betoog dat ze uiteindelijk de problemen veroorzaakt door de seksuele revolutie halfslachtig moet toegeven, om haar ‘alternatieve progressieve oplossing’ te geven voor deze problemen.

Ik wil op deze voorstellen die zij maakt hier niet dieper op ingaan, immers, de bedoeling van Bart De Wevers betoog was juist om de diepere culturele problemen aan te pakken en niet te blijven steken binnen het links-liberale (en economische) denkraam, waarin Gennez haastig naar oplossingen tracht te zoeken.

De wijze waarop Gennez het moreel en cultureel relativisme verdedigt is eveneens zeer paradoxaal, wees even zeer aandachtig op de woordkeuze en manier van schrijven in de volgende passage: "Hoe mensen hun leven willen inrichten, is een privébeslissing. Of een warm en solidair gezin bestaat uit twee mannen, twee vrouwen, een man en een vrouw, met hun kinderen, met geadopteerde kinderen, met kinderen uit vorige relaties of zonder kinderen mag voor de wetgever niets uitmaken." In deze passage staan heel wat dingen in vermeldt die een consequente relativist de haren zou doen rechtkomen. Gennez gaat door het gebruik van het woord ‘is’ er al onmiddellijk van uit dat dit een maatschappelijke consensus is, en als dit niet zo is, dan scheelt er iets aan de ‘dissenters’. Dat is niet echt een democratisch standpunt, maar is wel consequent aan een verregaande invulling van het Rousseauiaanse concept van ‘la volonté générale’.

Maar stel nu eens dat ik het daar helemaal niet mee eens ben, wat zou mevrouw Gennez dan als oplossing voor mij geven? Moet ik dan gewoon maar mijn mond houden? Deze vorm van relativisme en het belachelijk maken van mensen die een er andere mening op nahouden dan die van de links-liberale consensus is zelfvernietigend en zelfs schadelijk voor een (werkelijk) open samenleving. Aan de andere kant van de medaille heeft Gennez het over de ‘wetgever’ en de ‘staat’, terwijl De Wever juist pertinent niet wil denken in termen van wetgeving of politieke oplossingen. Hij wil juist investeren in een cultureel-maatschappelijk project, een intellectueel project ook. Datgene waar vroeger socialisten de mond van vol hadden, volksverheffing met name.

De breuklijn ligt dus niet in de voorgestelde ‘oplossingen’, maar in de ‘frame of thought’ waarin men zich begeeft. En uiteindelijk is de keuze voor welke ‘frame’ men uiteindelijk kiest afhankelijk van een diepere analyse van wat de essentie van de mens uiteindelijk is. Want, zoals Stanley Kubrick zich ooit liet ontvallen: “... any attempt to create social institutions on a false view of the nature of man is probably doomed to failure.”

Natuurlijk komen we dan op een van de moeilijkste, maar meest fundamentele vragen die men zich kan stellen: is de mens van nature uit goed, of is hij slecht? Voor velen is dit tegenwoordig een overbodige vraag geworden, en is volgens anderen slechts een subjectief gegeven (wat zoveel is geworden binnen het postmoderne denken). En toch is het deze vraag die uiteindelijk aan de basis ligt van quasi elk debat in quasi elk domein. Want uiteraard moeten beleidsbeslissingen, opdat ze effectief willen zijn, gericht zijn op de essentie van de mens en gebaseerd op een gefundeerde visie op de mens. Het is duidelijk dat Bart De Wever de denktrant volgt die al eerder werd bewandeld door denkers als Augustinus, Adam Smith, Edmund Burke, Hobbes of Alexander Hamilton.

In deze visie is de mens van nature uit (dat wil zeggen zonder enige interventie vanwege de samenleving) geneigd naar het kwade, hij zal dus niet stelen gewoon omdat hij arm of hulpbehoeftig is (dit is de deterministische en optimistische mens- en maatschappijvisie), maar omwille van de inherente natuur die ingeschreven ligt bij de mens (voor vele christenen is dit niet moeilijk te begrijpen, vanwege het concept van de erfzonde). Het is daarom logisch dat Bart De Wever die deze denklijn volgt concludeert dat de mens instituties nodig heeft om zich te bewapenen tegen de barbaarse neigingen die hij van nature uit heeft. Dit is de sociale normering. Maar dit is allesbehalve voldoende. Daarenboven hebben we ook een verregaand waardensysteem nodig, en meestal refereert men dan naar de klassieke deugdenethiek (die sterk aanwezig was in het Grieks-Romeinse denken, en binnen het denken van de Rooms-katholieke kerk).

Maar zelfs uitgaande van deze ideeën is het nog mogelijk om discussie te hebben omtrent de aard van welke ‘gemeenschap’ waarbinnen die moet gebeuren. Het is zeer duidelijk dat Gennez een zeer vrijblijvende interpretatie geeft aan het begrip ‘gezin’ en ‘gemeenschap’ in het algemeen. Daar speelt uiteraard het gegeven mee van wat men zou kunnen aanduiden als zijnde ‘de grote getallen’ en ‘de grootste kans’. at bedoel ik hiermee? Welnu, er zijn altijd wel uitzonderingen op de regel, maar het is in het algemeen veel beter voor het kind dat het opgroeit bij zijn biologische ouders, wat dus eveneens inhoudt dat het om een man en een vrouw gaat. Dit wil niet zeggen dat een aantal alternatief samengestelde gezinnen niet zouden kunnen functioneren zoals een traditioneel samengesteld gezin dat zou doen, maar zoals rechtsfilosoof Andreas Kinneging schreef: “Dit betekent dat alle andere gezinsvormen ten principale minder goed zijn. Die bergen allemaal verhoogde risico’s in zich voor het welzijn van het kind. Dat geldt voor adoptiegezinnen. Veel vaker dan in biologische gezinnen ontstaan hier problemen met de kinderen.” De intellectuele basis waarop de morele relativisten van het genre Gennez op steunen is dan ook allesbehalve stevig en stabiel te noemen. In de klassieke definitie van het huwelijk zijn er een aantal punten:

  1. het gaat om slechts twee personen (polygamie is dus niet toegestaan)
  2. deze twee personen zijn volwassenen
  3. deze twee personen zijn geen familie van elkaar (dus geen incest)
  4. deze twee personen moeten van een verschillend geslacht zijn.

Gennez lijkt de eerste drie premissen te willen bewaren, en enkel de vierde te laten vallen; maar op welke basis doet zij dit? Waarom durft ze niet aan de andere drie principes te raken? Uiteindelijk moet men wel besluiten dat wanneer men begint wijzigingen door te voeren aan een bepaald principe, men niet verstomd moet staan van het feit dat ook de andere principes hun vastheid verliezen, met alle gevolgen voor de burgerlijke samenleving van dien. Gennez gaat ook helemaal niet verder in op de stelling van Bart De Wever dat mensen die enkel hun zintuigen volgen niet werkelijk vrij zijn, maar slechts slaaf van diezelfde zintuiglijke prikkels. En eigenlijk bevestigt Gennez de centrale stelling van Bart De Wever dat deze seksuele revolutie voornamelijk haar slachtoffers eist in de lagere regionen van de samenleving, aangezien daar gezinnen uiteen worden getrokken omwille van ‘de ultieme keuzevrijheid van elk individu’ – een stelling die trouwens ook al meermaals werd gemaakt door de Britse auteur Theodore Dalrymple.

Het ‘non-judgmental’ principe is de maatschappelijke standaard geworden, terwijl diezelfde ‘verlichte’ elite de ‘verworvenheden’ van mei ’68 en de seksuele revolutie absoluut niet toepast op hun eigen levenssfeer. Hier weet Gennez kennelijk geen weet mee. De idee dat de mens a priori geneigd is naar het goede en dat ‘everything will work just fine’ heeft inderdaad een ravage aangericht in de burgerlijke samenleving. En inderdaad: de macht van de staat neemt steeds meer toe en de individuele vrijheden worden steeds meer (zeer paradoxaal) uitgehold. Dit is een wijsheid die al meermaals is neergeschreven geweest, o.m. door de Franse 19de eeuwse auteur Alexis De Tocqueville.

Om een zeer concreet voorbeeld te geven: in de Verenigde Staten wordt door de ‘No Fault Divorce’ het gehele privéleven van scheidende koppels tot in de puntjes beheerst door de ambtenaren van deze rechtbanken. Een zeer duidelijke uiting van wat er gebeurt indien de burgerlijke samenleving en de publieke moraal desintegreert. De Rousseauiaans-naïeve visie van de mensheid is een schadelijk gegeven. Het is wel zeer handig voor publieke figuren en intellectuelen, aangezien het hun verantwoordelijkheid naar de burgerlijke samenleving toe helemaal uitholt. En laat ons misschien besluiten met een beruchte uitspraak van de Vlaamse dichter Herman De Coninck: “mensen gaan niet aan pessimisme ten onder, maar aan idealisme.”

Created by administrator
Last modified 2008-06-24 04:13 PM
« November 2008 »
Su Mo Tu We Th Fr Sa
            1
2 3 4 5 6 7 8
9 10 11 12 13 14 15
16 17 18 19 20 21 22
23 24 25 26 27 28 29
30