Politiek mei 2008 * Karaktervorming en Neoconservatisme
KARAKTERVORMING TUSSEN UNIVERSALISME EN PLURALISME
door Daniël Overgaauw
Mogelijk de meest besproken politieke stroming van de laatste tijd is het neoconservatisme. Over de inhoud van deze stroming en de achtergrond van haar aanhangers bestaat echter een hoop onduidelijkheid. Mede daardoor is het neoconservatisme onderwerp van misverstanden en samenzweringstheorieën. Meer duidelijkheid bestaat over de toedracht van de Oorlog in Irak, die zonder neoconservatieve beleidsmakers in het Witte Huis ondenkbaar was.
Een van de denkers in de Verenigde Staten die dieper is ingegaan op hetgeen neoconservatieven voorstaan, is de Zweeds-Amerikaanse professor Claes G. Ryn. Claes Ryn is thans hoogleraar aan de Catholic University of America, voorzitter van het National Humanities Institute en publiceert onder andere in Amerikaanse academische bladen als Humanitas en Modern Age. Een terugkerend punt in het werk van Ryn is de verhouding tussen universalisme en particularisme en een eventuele synthese tussen deze twee schijnbare tegenpolen. Volgens Ryn hebben zaken als de Oorlog in Irak namelijk te maken te maken met een diepere culturele crisis in het Westen, en een oplossing daarvan ligt in het vinden van een gemeenschappelijke, menselijke deler.
Universalisme en pluralisme
In het eerste nummer van Opinio Iuris van dit studiejaar ging ondergetekende onder andere in op het onderscheid tussen universalisme en pluralisme. [1] Universalisme en pluralisme zijn namelijk niet alleen taalkundig strijdig, maar zijn dit ook vaak in de praktijk. In het maatschappelijk debat met betrekking tot gevoelige onderwerpen als immigratie en integratie, zien we dit regelmatig terug. Zo hebben we enerzijds het pleidooi voor multiculturalisme dat juist pluralisme veronderstelt, en anderzijds het pleidooi voor monoculturalisme dat juist uitgaat van universalisme.
Soms zijn die twee invalshoeken bij dezelfde mensen te vinden. Wanneer dan concrete kwesties besproken worden, is het voor zowel beleidsmakers als gewone mensen moeilijk om eenduidig antwoorden en oplossingen te geven. Eensdeels willen we als pluralistische, multiculturele samenleving openstaan voor verschillende bevolkingsgroepen, levensovertuigingen en leefstijlen, maar anderdeels zijn er weer bepaalde gedragingen en opvattingen die door ofwel de maatschappelijke en politieke elites ofwel door de meerderheid van de bevolking als onwenselijk worden beschouwd.
In wijsgerig opzicht kunnen die twee verschillende grondhoudingen omschreven worden als de ‘moderne’ universalistische leer en de ‘postmoderne’ pluralistische leer. De eerste gaat niet alleen uit van absolute, universele waarden, maar gaat er vanuit dat deze waarden in het Westen het best bereikt zijn. Om die reden wordt ze in toenemende mate met politiek ‘rechts’ vereenzelvigd. Dit denken is onder andere terug te vinden bij iemand als de Amerikaanse wijsgeer Allan Bloom. Deze universele waarden worden vaak in verband gebracht met liberalisme, secularisme en democratisme, en zouden herkomstig zijn uit de Verlichting.
In het maatschappelijke debat worden allochtonen en gelovigen in het algemeen en moslims in het bijzonder dan ook niet alleen kwalijk genomen dat zij zich niet voldoende aan zouden passen aan de autochtone bevolking, maar ook dat zij onvoldoende ‘Verlicht’ zouden zijn. Met andere woorden: deze mensen hebben zich nog niet de universele waarden van de Verlichting eigengemaakt en zijn zodoende ‘achterliggend’. Dit is een standpunt dat in de verte doet denken aan Fukuyama’s opvatting dat sommige culturen en samenlevingen nog ‘in de geschiedenis’ zitten, waar Westerlingen juist in het ‘einde van de geschiedenis’ bereikt hebben. De seculiere liberaal-democratie is in die uitleg de eindfase van een historische ontwikkeling waarin wedijverende ideologieën als communisme en fascisme hebben afgedaan. [2]
De ‘postmoderne’ pluralistische leer stelt in zijn meest ‘zuivere’ vorm dat er geen absolute waarden van ‘goed’ en ‘kwaad’ bestaan. Goed en kwaad zijn menselijke bedenksels en verschillen van persoon tot persoon en samenleving tot samenleving. Het is een denken dat achter het multiculturalisme ligt en daarom in toenemende mate met politiek ‘links’ vereenzelvigd wordt. Het is een kijk die terug te vinden is bij mensen als de Amerikaanse wijsgeer Richard Rorty. Wat voor de een goed is, hoeft niet allicht goed te zijn voor de ander. Waar de een van klassieke muziek en Rembrandt houdt, geeft de ander weer de voorkeur aan popmuziek en pop-art. Er bestaan dus geen universele maatstaven om te stellen dat de ene kunstvorm esthetisch beter of mooier is dan de andere. Gelijkwaardigheid is hierin een kernbegrip.
Dit kan ook op een andere schaal doorgetrokken worden: dat een bepaalde samenleving voor een democratie heeft gekozen, wil niet zeggen dat deze bestuursvorm dus ook geschikt is voor elke samenleving. In een werkelijk multiculturele samenleving of wereld moeten wij onze waarden dan ook niet aan een ander opdringen, willen we problemen vermijden. Op zijn best kunnen wij proberen al die onverenigbare verschillen zo wenselijk mogelijk te managen. Dit ontkennen en het pleiten voor universele waarden is dan een vorm van ‘Westers imperialisme’, aangezien die universele waarden uit een Westerse koker zouden komen. De aanhangers van de universalistische leer zien deze houding echter op hun beurt weer als ‘politiekcorrect’ en ‘cultuurrelativistisch’.
Niet alleen maatschappelijke en politieke botsingen binnen onze hedendaagse Westerse samenleving komen voort uit de tegenstelling van de multiculturele, pluralistische, ‘relativistische’ leer enerzijds en de monoculturele, universalistische, ‘absolutistische’ leer anderzijds. Terwijl de pluralistische kijk in Europa steeds meer ingang begint te krijgen en het vinden van een gemene deler onder verschillende bevolkingsgroepen moeilijker maakt, is het juist de universalistische kijk die thans de Verenigde Staten kenmerkt. Amerikaanse opinie- en beleidsmakers die in 2003 aandrongen op een oorlog met Saddam Hoesseins Irak deden dit niet uitsluitend vanuit nationale belangen, maar ook omdat zij geloofden dat de VS een historische missie hebben om universele waarden van ‘democratie’, ‘vrijheid’, ‘gelijkheid’ en ‘kapitalisme’ over de gehele wereld te verspreiden. De groep wordt doorgaans aangeduid met de noemer ‘neoconservatief’.
Neoconservatisme en neo-Jacobinisme
Over de inhoud van de neoconservatieve ideologie en de achtergrond van neoconservatieve politici en academici bestaat echter een hoop onduidelijkheid. Hoewel in deze verhandeling te weinig ruimte is om in te gaan op alle details, moet een en ander gezegd worden over wat de stroming in kwestie nadrukkelijk niét is, alvorens in te gaan op wat het neoconservatisme wél is. Soms wordt bijvoorbeeld het neoconservatisme op één lijn gezet met de ‘Joodse Lobby’, waarbij dan gewezen wordt naar de Joodse achtergrond van vooraanstaande neoconservatieven als William Kristol, Robert Kagan, Norman Podhoretz, Paul Wolfowitz, Richard Perle, Michael Ledeen en Charles Krauthammer.
Dat deze kijk de werkelijkheid geen recht doet, blijkt uit het feit dat een hoop andere vooraanstaande neoconservatieven Christen zijn. Te denken valt aan Dick Cheney, Donald Rumsfeld, Jeb Bush, Jeane Kirkpatrick, Steve Forbes en John Bolton. De christelijke achtergrond van deze mensen wordt evenwel weer gebruikt om het neoconservatisme gelijk te stellen aan ‘Christelijk Rechts’. Ook dit vertekent de werkelijkheid, want geen van deze vooraanstaande neoconservatieven staan bekend als vertegenwoordigers van Christelijk Rechts. Sterker nog, veel van hen zijn niet belijdend godsdienstig en enkelen zijn zelfs niet-gelovig, zoals Karl Rove. [3]
Ook wat betreft inhoudelijke standpunten zijn neoconservatieven nauwelijks af te bakenen. Sommige neoconservatieven hebben een ‘rechtse’ of ‘conservatieve’ kijk aangaande medisch-ethische onderwerpen, het homohuwelijk, illegale immigratie en de vrije markt. Andere neoconservatieven hebben juist een ‘links’ of ‘liberale’ kijk op deze onderwerpen. Met andere woorden: op levensbeschouwelijk, moreel en politiek vlak zijn neoconservatieven geen ‘monolithisch geheel’. Het is ogenschijnlijk een mengelmoes van allerhande personen en bewegingen met uiteenlopende overtuigingen en achtergronden.
Historisch gezien komen de eerste neoconservatieven niet uit een traditioneel conservatieve hoek, zoals ook opgemerkt wordt door eerdergenoemde Francis Fukuyama, die zichzelf vroeger beschouwde als een neoconservatief maar later afstand nam van de beweging. Eind jaren dertig en begin jaren veertig waren het jonge intellectuelen als Irving Kristol, Daniel Bell, Irving Howe, Seymour Martin Lipset, Philiph Selznick, Nathan Glazer en Patrick Moynihan die samen kwamen en socialistische, zelfs trotskistische sympathieën koesterden. [4] Een deel van deze groep ontwikkelde zich tot een meer gematigd links, waar een ander deel juist fel anticommunistisch werd.
Uiteindelijk vond de steeds breder wordende groep, uitgebreid met een nieuwe generatie, een geestverwant in de anticommunistische Democraat Henry M. Jackson, onder wie onder andere Paul Wolfowitz en Richard Perle hebben gewerkt. [5] Ten tijde van de Koude Oorlog waren zij nog liberale haviken die steeds meer invloed begonnen te krijgen in het intellectuele en politieke leven. In wijsgerig opzicht vonden verschillende neoconservatieven aanknopingspunten bij Leo Strauss, Alfred Wohlstetter en later Allan Bloom. Laatstgenoemde schreef over de Verenigde Staten: “Our story is the majestic and triumphant march of the principles of freedom and equality, giving meaning to all that we have done or are doing.” [6] De Verenigde Staten is niet zomaar een land: het is een bijzonder land met een zending. Het is het Amerika als idee.
Neoconservatieven mogen dan op levensbeschouwelijk, moreel en politiek gebied veel van elkaar verschillen, ze hebben totale overeenstemming over het Amerika als idee. Dit is niet een uniek iets in de Amerikaanse geschiedenis; reeds de Amerikaanse president Woodrow Wilson zag in de Verenigde Staten een rol om onder andere democratie te verspreiden, en verwoordde dit onder andere in zijn Veertien Punten. Met de nieuwe generatie neoconservatieven kreeg het Wilsoniaanse idealisme een nieuwe impuls. Tegen het einde van de Koude Oorlog verruilden de meeste neoconservatieven de Democratische partij voor de Republikeinse, en liberale bewegingen voor conservatieve. Het non-interventionisme van Robert Taft en ‘realisme’ van Henry Kissinger liet de Republikeinse partij daarmee definitief achter zich.
De nieuwe generatie neoconservatieven hebben zich onder andere verzameld rondom denktanks als de Project for the New American Century en de American Enterprise Institute. Robert Kagan en William Kristol, de zoon van eerdergenoemde Irving, gaven in 1996 de neoconservatieve buitenlandse agenda voor het eerst vorm toen ze pleitten voor een meer assertief buitenlands beleid. [7] Een jaar later richtten zij PNAC op en werd diens missieverklaring ondertekend door vele vooraanstaande neoconservatieve politici, academici en opiniemakers. [8]
De doelstellingen van deze denktank zijn het verhogen van defensie-uitgaven, het verstevigen van banden met democratieën, het trotseren van regimes die vijandelijk zijn tegenover Amerikaanse belangen en waarden, het wereldwijd promoten van politieke en economische vrijheid, en het aanvaarden van Amerika’s unieke rol in het handhaven en uitbreiden van een internationale orde die vriendelijk is tegenover de veiligheid, welvaart en beginselen van de Verenigde Staten. De neoconservatief Charles Krauthammer omschrijft de rol van de Verenigde Staten zelfs als volgt: “America is no mere international citizen. It is the dominant power in the world, more dominant than any since Rome. Accordingly, America is in a position to reshape norms, alter expectations and create new realities. How? By unapologetic and implacable demonstrations of will.” [9]
Een andere neoconservatief Michael Ledeen is nog duidelijker over die missie: “Creative destruction is our middle name, both within our own society and abroad. We tear down the old order every day […]. Our enemies have always hated this whirlwind of energy and creativity, which menaces their traditions (whatever they may be) and shames them for their inability to keep pace. Seeing America undo traditional societies, they fear us, for they do not wish to be undone. […] We must destroy them to advance our historic mission.” [10] De aanslagen op het World Trade Center en het Pentagon gaven een nieuw aandrift aan de neoconservatieve ideologie .
Het opvallende is dat de term neoconservatisme meer onder intellectuelen en adviseurs geliefd is dan onder presidenten en presidentskandidaten. Iemand die bijvoorbeeld nooit uitgesproken neoconservatief is geweest, is George W. Bush. In 2000 had hij als presidentskandidaat zelfs nog een klassiek Republikeinse houding ten opzichte van internationale relaties. Zo zei hij over de mislukte vredesmissie in Somalië: “It started off as a humanitarian mission then changed into a nation-building mission and that's where the mission went wrong. The mission was changed. And as a result, our nation paid a price, and so I don't think our troops ought to be used for what's called nation building.” [11] Drie jaar later was de Irak-oorlog en de ‘regime change’ een feit, en was Bush’ standpunt 180 graden gedraaid.
Claes G. Ryn is ondubbelzinnig in het omschrijven van dit soort denkbeelden: volgens hem heeft het namelijk nauwe ideologische banden met Robespierre en de Franse Jacobijnen. “The old Jacobins assumed that their principles were for all peoples, but as they faced pressing and specific obstacles near to home and were culturally focused on France and Europe they did not, for the most part, think globally. The new Jacobinbs do. They put great stress on the international implications of their principles.” [12] De woorden van mensen als Krauthammer en Ledeen over een verlichte Amerikaanse hegemonie doen dan ook erg veel denken aan vergelijkbare woorden van Robespierre.
De leider van de Jacobijnen zei immers in 1794: “Laat Frankrijk, voorheen een van de geketende landen, nu de glorie van alle vrije volkeren uit het verleden overschaduwend, het model worden voor de naties, de terreur van onderdrukkers, de troost van de onderworpenen, en het ornament van de wereld –en laat ons, in het zegenen van ons werk met ons bloed, uiteindelijk de vroege dageraad zien van universele zaligheid– dat is onze ambitie, dat is ons doel.” [13] Daarvoor zagen de oude Jacobijnen terreur als het meest geschikte middel: ‘Liberté, égalité, fraternité’ had niet voor niets oorspronkelijk de toevoeging ‘ou la Mort!’. De nieuwe Jacobijnen mogen dan wel de oorlog verklaard hebben aan ‘terreur’; in de praktijk heeft hun ideologie geleidt tot dood en oorlog in Irak.
De denkbeelden achter het neoconservatisme zijn daarom steeds moeilijker te rijmen met het denken van ‘traditionele conservatieven’ als Edmund Burke, Joseph deMaistre en Friedrich Julius Stahl, die zich immers juist nadrukkelijk keerden tegen het Jacobijnse denken van de Franse Revolutie. Dat het neoconservatisme dan ook geen traditioneel conservatisme genoemd kan worden, stelt ook Frank Ankersmit, hoogleraar aan deze universiteit. Ankersmit omschrijft het neoconservatisme treffend als een ‘ideologische schaamlap’ voor andere geopolitieke en ideologische doeleinden dan conservatieve. “Politiek-theoretisch is het neoconservatisme een uitdragerij. En met zoiets bijzonder interessants als het conservatisme heeft het al helemaal niets van doen,” aldus professor Ankersmit. [14]
Een gemeenschappelijke grond
Het neoconservatisme is zoals aangegeven een stroming geworden die meer heeft met het uitdragen van de ‘Verlichte’ denkbeelden van de Franse Revolutie dan met traditioneel conservatisme. Het is een nieuw soort Jacobinisme dat uitgaat van een uitverkoren rol van de Verenigde Staten om universele waarden van de liberaal-democratie wereldwijd te verkondigen en verspreiden, eventueel met geweld. Dat deze beweging zo fel uitgaat van universele waarden wil echter niet vanzelfsprekend zeggen dat een antwoord hierop dan gelijk een pluralistische, relativistische moet zijn. Universalistische en pluralistische denkbeelden mogen in de praktijk dan wel vaak botsen, maar dat hoeven ze niet per definitie.
Een hinderpaal tot een synthese ligt echter in zowel het abstracte universalistische als het pluralistische, relativistische denken. Volgens de universalistische leer is elke poging tot samenstelling onzinnig: er is slechts één goede weg en een heel hoop foute. Die goede is bovendien reeds ontdekt met de Verlichting en de moderne wetenschap in het Westen. Niet-westerse culturen kunnen zich daar het beste naar schikken. Sterker nog, ze hebben historisch geen keuze: het is de weg van de toekomst, de weg van de vooruitgang. De relativistische versie van de multiculturele leer biedt eveneens geen oplossing, behalve slechts het managen van verdere onverenigbare doch gelijkwaardige verschillen. Maar een gedeelde menselijkheid is niet te vinden: elke samenleving, zelfs elke mens is intrinsiek anders; dat is het enige gemeenschappelijke.
Het opmerkelijke is dan ook dat zowel universalisme als pluralisme het soort karakter scheppen dat zich niets aantrekt van andere mensen en andere samenlevingen. De persoon die absolutistisch is in zijn overtuiging gelooft immers in zijn eigen gelijk en behoeft geen correcties van anderen die nooit meer gelijk kunnen hebben dan hijzelf. Het ontneemt de prikkeling om je te verdiepen in de ander. Het is een houding die onvermijdelijk leidt tot botsingen. Voor de persoon die relativistisch is in zijn overtuiging is moraal slechts relatief en is elke opvatting en overtuiging enkel gelijkwaardig. Een hogere morele maatstaf om op beoordeeld te worden bestaat dus niet. Voor hem is er behalve een toevallige persoonlijke voorkeur ook geen reden om zich te verdiepen in andere personen of samenlevingen. Ook op deze willekeur kan je geen duurzame wereldsamenleving bouwen.
Wat daarom volgens Ryn van belang is te begrijpen, is dat een werkelijk ‘kosmopolitisch humanisme’ vereist dat we niet op de eerste plaats wereldburgers zijn, maar ook durven te kijken naar kleinere lagen waar het concrete leven plaatsvindt. Hoeveel we ook als forens of toerist de wereld afreizen, we zullen nooit alle culturen, godsdiensten en beschavingen volledig kunnen leren kennen. Doorgaans eindigt een poging zo veel mogelijk te kennen slechts in oppervlakkige kennis. De forens die vijftig keer naar New York is gevlogen zal lang niet de gehele Verenigde Staten kennen. De toerist die door winkelstraatjes in New Dehli heeft gelopen, is nog niet iemand die bekend is met de geschiedenis van India. Eveneens is skiën in Dubai niet hetzelfde als bekend zijn met de godsdienst van moslims, en is het bezoeken van het Plein van de Hemelse Vrede niet hetzelfde als bekend zijn met Confuciaanse overtuiging van vele Chinezen.
De enige cultuur die wij werkelijk echt kunnen kennen, is nog altijd de cultuur die het dichts bij ons staat, de cultuur waarin wij opgroeien. De vaardigheid ligt er daarom in enerzijds bekend te worden met de werkelijke prestaties van je eigen cultuur, en het zien van universele waarden van ‘het goede, het schone en het ware’ door het historisch particuliere heen. “Only on the basis of intimate familiarity with the highest achievements of ones own society is it possible to have a more than shallow appreciation for the corresponding highest achievements of other societies,” Aldus Ryn. [15] Een Westerling die bekend is met Westerse wijsgeren als Christus, Aristoteles en Plato zal eerder de wijsheid van Oosterse wijsgeren en profeten als Mohammed, Confucius en Boeddha herkennen dan iemand die niet verder komt dan een kitscherige Boeddha-buitenlamp.
Dat in de praktijk veel onbegrip bestaat, heeft volgens Ryn te maken met de gebrekkige scholing van de huidige generatie. Men krijgt niet alleen steeds minder onderwijs in de grote personen en werken uit eigen en andermans geschiedenis; mensen leren het ook onvoldoende eigenhandig bij. De Westerse mens is net zo onbekend met de Koran als met de Bijbel, net zo onbekend met Plato, Aristoteles en Rembrandt als met Confusius en Boeddha. Bovendien hebben zowel de uitersten van de ‘moderne’ universalistische en ‘postmoderne’ pluralistische denken werkelijke karaktervorming bemoeilijkt. De kans op cultureel herstel en duurzame internationale verhoudingen zijn pas mogelijk wanneer onderwijs gericht is op scholing in de klassieke zin van het woord: het Griekse ‘schole’ stond juist voor de volledige vorming van de persoon, zo stelt Ryn. [16]
Niet uitsluitend economische en dergelijke motieven zijn van belang in het onderwijs: karaktervorming is de allereerste taak. Het vinden van een synthese tussen historisch en cultureel particularisme en moreel universalisme is uiteindelijk de lange doch noodzakelijke weg. Zoals Ryn opmerkte: “Peace will not emerge spontaneously. There are no shortcuts to creating genuine respect and friendliness among peoples.” [17] Het vinden van een gemeenschappelijke, menselijke grond is een kwestie van karakter.
Noten:
[1] Daniel Overgaauw, ‘Secularisme, Univwersalisme, Pluralisme’, Opinio Iuris nr. 1. 2007-2008, p.18-23.
[2] Francis Fukuyama, The End of History and the Last Man, New York: The Free Press, 1992.
[3] Wat betreft Karl Rove, zie: Boris Kachka, ‘Are You There, God? It’s Me, Hitchens’ (interview), New York Magazine 26 april 2007.
[4] Francis Fukuyama, After the Neocons: America at the Crossroads, London: Profile Books, 2006. p.15.
[5] Ibid. p.34.
[6] Allan Bloom, Closing of the American Mind: How Higher Education Has Failed Democracy and Impoverished the Souls of Today’s Students, New York: Simon & Schuster, 1987, p.97.
[7] Zie William Kristol en Robert Kagan, ‘Toward a Neo-Reaganite Foreign Policy’, Foreign Affairs Juli/Augustus 1996.
[8] Project for the new American Century, Statement of Principles, http://www.newamericancentury.org 3 juni 1997, opgehaald op 11 mei 2008.
[9] Charles Krauthammer, ‘The Bush doctrine. In American foreign policy, a new motto: Don't ask. Tell’, CNN 26 februari 2001.
[10] Michael Ledeen, The War Against the Terror Masters, New York: St. Martin’s Press, 2003. p.212-213.
[11] Zie ‘U.S. interventions in the past’, Tweede presidentiële debat 11 oktober 2000.
[12] Claes G. Ryn, America the Virtuous: The Crisis of Democracy and the Quest for Empire, New Brunswick, New Jersey: Transaction Publishers, 2003. p.21.
[13] Maximilien Robespierre, Sur les principes de morale politique qui doivent guider la Convention national dans l’administration intérieure de la République, Toespraak aan de Nationale Conventie, 5 februari 1794 (Vertaling: D.O.).
[14] Frank Ankersmit en Jan Schinkelshoek, ‘De ware conservatief laat zich niet gek maken, de neoconservatief gaat letterlijk over lijken’, NRC Handelsblad 5 april 2008. p.15.
[15] Claes G. Ryn, A Common Human Ground: Universality and Particularity in a Multicultural World, Colombia, Missouri: University of Missouri Press, 2003. p.21.
[16] Ibid. p.32.
[17] Ibid. p.133.
Dit schrijfstuk verscheen eerder in Opinio Iuris, 2007-2008, nr. 2, p. 19-25. Zie ook: http://www.vintres.nl.