Boekrecensie 30 juni 2008 * Roger Scruton: Waarom cultuur belangrijk is
WAAROM CULTUUR BELANGRIJK IS
door Tom Potoms
Roger Scruton is een zeer invloedrijk conservatief filosoof. Hij schreef een 30-tal boeken over tal van onderwerpen waaronder politieke filosofie, seksualiteit, esthetiek, architectuur, muziek, moderne filosofie, dierenrechten en de jacht. Door al zijn boeken stroomt het diepe respect en appreciatie van wat hem is overgeërfd door de Westerse cultuur. Hij neemt altijd het voortouw in de verdediging van allerlei aloude tradities, waaronder de jacht. Hier een bespreking van zijn nieuwste boek: "Culture Counts"
In het boek Culture counts - Faith and Feeling in a World Besieged, uitgegeven door Encounter Books, New York, neemt hij de verdediging op van de Westerse cultuur; meer specifiek datgene wat hij aanduidt als zijnde ‘High Culture’ ten overstaan van zowel de interne critici (onder meer de postmodernisten), die beweren dat de cultuur van het Westen er een is van ‘Dead White Men’ en eveneens ten overstaan van de "humorloze puriteinse Islam" (Scruton).
Cultuur en Beschaving, kennis en gevoel
Het is belangrijk om allereerst te beschouwen wat Scruton bedoelt met cultuur. Hij maakt hierbij een onderscheid tussen beschaving en cultuur: "Een beschaving is een sociale eenheid die gedurende langere tijd uniformiteit in religie, politiek en recht en in gebruiken vertoont en haar vertegenwoordigers profijt laat hebben van sociale kennisaccumulatie." Scruton geeft hierbij ook voorbeelden: zo noemt hij de Egyptische, Romeinse, Chinese en de islamitische.
Er bestaat dus niet zoiets als cultuur, en Scruton definieert cultuur binnen de context van beschaving als "...de kunst en de literatuur waardoor de beschaving tot bewustzijn van zichzelf komt en haar visie op de wereld definieert." Hij geeft ook verder in het boek aan dat de islamitische wereld juist zo repressief en aggressief is, juist vanwege het feit dat de islamitische beschaving haar cultuur (en dus haar zelfbewustzijn) verloren heeft en deze nu rigoureus dient te verdedigen tegen critici of wat zij percipiëren als bedreigende entiteiten. Roger Scruton maakt gebruik van een andere mogelijke manier van onderverdeling. Herder maakte eveneens dit onderscheid tussen beschaving (Zivilisation) en cultuur (Kultur); maar definieerde cultuur zoals ze nu wordt beschouwd in de antropologie: datgene wat mensen verbindt, zoals het afbakenen van sociale territorium. En al haar belangrijkste uitingen: taal, religie, enz.
Aan de andere kant was er de definitie van denkers als Wilhelm Von Humboldt (1767-1835) en Matthew Arnold (1822-1888) die cultuur in de eerste plaats zagen als een vorm van opvoeding; een overdracht van morele en emotionele kennis, een gegeven waar Scruton doorheen zijn boek sterk de nadruk op legt. Dit is Hoge Cultuur. In tegenstelling tot de Kultur in antropologische zin is Hoge Cultuur niet voor iedereen beschikbaar en kan (en moet) ze aangeleerd worden. Hoge Cultuur is dus een aangelegenheid van een elite; maar desalniettemin is ze ook van belang voor de gehele samenleving, aangezien ze juist een ‘schatkamer’ van morele en emotionele kennis is, dat tevens van belang is bij de morele ontwikkeling van iedereen. En daarmee komen we bij een ander belangrijk punt dat Scruton in het boek tracht te maken, of beter: de vraag die hij tracht te beantwoorden. En die is, meer bepaald, ‘wat voor soort kennis’ is cultuur?
Scruton maakt een onderscheid, net zoals de Griekse filosofen (en andere conservatieve intellectuelen zoals Michael Oakeshott in zijn Rationalism in Politics) hem dat voordeden, tussen theoria en praxis. Beiden zouden ons moeten leiden naar objectieve waarheid, daar ze beiden een product zijn van de rede. Gilbert Ryle maakte in zijn boek De eenheid van lichaam en geest een onderscheid tussen het gebruik van ‘weten dat’ en ‘weten hoe’; met de eerste als theoretische kennis en de tweede als de praktische variant. Maar dit onderscheid is niet afdoende om cultuur onder te verdelen, zo stipuleert Scruton, immers "Welke feiten leer je van Chaucer, buiten het feit dat hij die gedichten schreef? En welke vaardigheden kan een Engelse middeleeuwer met zijn poëzie overbrengen op de drukbezette kinderen van vandaag de dag?" Dus enkel op basis van het onderscheid tussen deze twee categorieën van kennis, of sterker nog, enkel deze twee soorten kennis, maakt cultuur niet geschikt om in het curriculum opgenomen te worden. Het zou zelfs geen vorm van kennis zijn in dat geval.
Maar Scruton voert nog een derde, fundamentele, vorm van kennis aan en dat is de kennis ‘van het wat te doen of wat te voelen’; en hiermee komen we terecht in de essentie van de Aristotelische deugdenleer, zoals ze neergeschreven is geweest in de Ethica Nicomachea. Zo dacht Aristoteles, evenals Plato (Politeia 401e-402a) dat de kerntaak van de opvoeding was om ons aan te leren ‘wat te voelen’: "...op de een of andere manier ons zo laten vormen, dat we de juiste dingen prettig en pijnlijk vinden; want dit is wat opvoeding tot de juiste opvoeding maakt." (Ethica Nicomachea).
Wat mensen echter slecht maakt, zo redeneerde Aristoteles, is niet zozeer een specifieke emotie (Aristoteles beschouwt deugden dus niet als emoties, noch als vermogens), maar de dispositie van diegene die ze ervaart ten overstaan van deze emoties. "Wie zich namelijk van lichamelijke genietingen onthoudt en dat juist prettig vindt, is gematigd, maar als iemand zich aan die onthouding ergert, is hij losbandig." Hij die weet ‘wat hij moet voelen’, die met andere woorden ook deugdzaam is, wordt door Aristoteles als volgt beschreven: "Het ondergaan van deze gevoelens echter op het juiste moment, met betrekking tot de juiste objecten, in relatie tot de juiste mensen, om de juiste reden en op de juiste manier, is het midden en het beste, en dit is nu juist eigen aan de deugd."
Scruton stelt ook de vraag voor hoe we precies deugd kunnen aanleren; en bij Aristoteles is het antwoord: door gewoonte. Bij Aristoteles is de studie van de Ethica een praktische studie of wetenschap; enkel al doende kan men een deugdzaam iemand worden: iemand kan enkel rechtvaardig worden door rechtvaardige handelingen uit te voeren. We zijn, als morele wezens, van nature uit gericht om door gewenning moreel te handelen, dat is de boodschap die Aristoteles ons brengt. Anderzijds komt moreel handelen niet van nature, in vergelijking met (bijvoorbeeld) onze zintuigen.
Scruton vindt echter dit antwoord van Aristoteles op het voorgelegde probleem veel te simplistisch; aangezien het hier gaat over de kardinale deugden, over de meest elementaire deugden (bijvoorbeeld Rechtvaardigheid of Gematigdheid) Hij voert daarom nog een ander belangrijk element toe aan de morele opvoeding, een begrip dat essentieel is in het begrijpen van het conservatieve denken hieromtrent, en dat is: verbeelding. De morele verbeelding en de ‘beweging met de personnages’ van kunstwerken en andere cultuurproducten; het meeleven ook. Deze verbeelding levert ons emotionele kennis op en bereid ons het beste voor op "vreugden en rampen waar we op een dag mee te maken zullen hebben." Anderzijds neemt Scruton ook de zogenaamde cultuurparadox (of het cultuurparadigma) ter hand en poogt hij hierop een antwoord te geven. Dit cultuurparadigma luidt als volgt: "de verhouding tussen moreel gedrag en cultuur is zeer twijfelachtig, aangezien we vaak geconfronteerd worden met slechte estheten, cf. Hitler of Stalin, de kampleiders in WO II, en anderzijds met aculturele filantropen". (Dit is dus datgene wat de cultuurcritcus George Steiner aanduidde als zijnde de ‘brutale paradox van de moderniteit’.)
Scruton pareert deze ‘brutale paradox’ als volgt: "Het menselijk leven wordt geleid op een dunne korst nomaliteit, waarbij wederzijds respect een aangenaam evenwicht tussen mensen waarborgt. Onder die dunne korst ligt de donkere zee der instincten, meestal kalm, maar soms uitbarstend in een orgie van geweld. Daarboven bevindt zich de stralende lucht van denken en verbeelding, waar onze sympathieën zich verbreiden en waar we onze ideeën over de menselijke waardigheid laten gelden. Cultuur is de collectieve praktijk die die ideeën steeds vernieuwt en onze sympathieën verbreidt tot in alle uithoeken van het hart. (...) Maar als de uitbarstingen zich voordoen, kan ze niets uitrichten om het geweld in te tomen. Dat kan ook de religie niet, of de gewone moraliteit. Want geweld baart geweld, en woede baart woede."
Uiteindelijk zal, in het hoogtepunt van de chaos het goede altijd het onderspit delven van het slechte. Cultuur kan hier inderdaad niets of weinig tegen doen. Maar, zo gaat Scruton verder, cultuur kan wederom de goede handelingen vereeuwigen in de literatuur etcetera om de herinnering en verbeelding (aan deze goede handelingen) levendig te houden. Zo kunnen dus de aculturele filantropen – door middel van cultuur – vereeuwigd worden, en eventueel als voorbeeld dienen voor iedereen. Scruton richt zich dan ook onmiddellijk naar het onderwijs, en voornamelijk de filosofie van het hedendaags leren. Zo is er de Rousseauiaanse idee dat onderwijs in de eerste plaats gericht moet zijn naar de ontwikkeling van het kind (een idee dat later overgenomen zal worden door John Dewey en het ‘progressive learning’). Volgens Scruton is dit een zeer schadelijk idee voor de gehele samenleving. De idee dat kennis als enig doel het bevorderen van het kind is, zorgt op termijn voor vervlakking van het onderwijsniveau. We moeten volgens Scruton juist het ‘moeilijke hart van kennis’ als canon van ons curriculum hanteren. We moeten het onderwijs, aldus Scruton, niet kindgericht, maar ‘kennisgericht’ opstellen. Het belang van het vak, het overbrengen van dit vak en deze kennis conserveren vereist juist een zeer strenge selectie naar studenten toe: enkel de besten kunnen het vak degelijk ter hand nemen en het verder doen ontwikkelen.
Oordeel, intrinsieke waarden en het lachen
Een ander belangrijk punt –zoniet een van de belangrijkste- dat Scruton in dit boek maakt is dat cultuur inherent verbonden is met oordelen (dat wél op objectieve maatstaven steunt) en dat oordelen ook inherent verbonden is met de intrinsieke waarden die kunst en cultuur met zich meedraagt. Een rode draad in Scruton’s betoog is de vergelijking die hij maakt met het lachen en grappen. Immers, zo stipuleert Scruton, dat wat opgaat voor het lachen gaat evenzeer op voor kunst en cultuur in het algemeen. De lach is in de eerste plaats ook een oordeel vellen; we lachen om iets waar werkelijkheid en ideaal uit elkaar lopen; indien we lachen met een bepaalde grap is dat een positief oordeel naar de grap toe; met andere woorden we stemmen in met de inhoud en vorm van de betrekkelijke grap, anderzijds, indien we niet lachen om een grap keuren we deze af.
Kunst en cultuur stromen voort uit oordeel. Elke cultuur is gebouwd rond een canon, een harde kern als het ware (Arnold noemde dit de ‘toetsstenen’ van een cultuur). Kunst heeft, net zoals de grap, een functie te vervullen (een instrumentale rol) maar anderzijds zijn beiden ook van intrinsieke waarde. Overigens, we zijn geïnteresseerd in grappen omwille van hun amusementswaarde, je bent geïnteresseerd in hun intrinsieke waarde, en niet omwille van hun therapeutische waarde. In die zin zijn er grappen die niet slagen in hun opzet, of diegenen die er juist wel in slagen, maar op een offensieve manier.
Laat ons even afstand nemen, zoals men ook in het boek tracht te doen, door ook even vriendschap in ogenschouw te nemen. Vrienden hebben ook een instrumentele waarde, maar niemand zal ooit in staat zijn om vrienden te verwerven zonder deze te beschouwen als interessant als ‘doel op zichzelf’. Hun instrumentele waarde verkrijgen we juist in de mogelijkheid voor onszelf om deze te negeren. Een grap, net zoals een kunstvoorwerp, bezit deze intrinsieke waarde. Om het nog concreter te stellen: een kunstvoorwerp, net als een grap, zijn maar slechts geslaagd indien ze ook intrinsiek in orde zijn; indien ze met andere woorden onze interesse a priori verdienen omwille van hun intrinsieke waarde.
Op basis van deze belangrijke denkmethode geeft Scruton onmiddellijk twee voorbeelden van kritiek die men kan geven op kunstvoorwerpen, in het proces van het beoordelen van kunst. Deze zijn obsceniteit en sentimentaliteit. Deze twee zaken verminderen zeer sterk de intrinsieke waarde van een kunstwerk. Bij het ene is er in sterke mate sprake van depersonalisering: het overbenadrukken van het lichaam (o.m. in het expliciet belichten van seksuele of gewelddadige activiteiten). Het gaat hier wel degelijk om een intrinsiek tekort van het beschouwde kunstwerk, immers, het gaat hier om een tekort van het kunstwerk op zich, en niet zozeer voor de schadelijke gevolgen die het met zich kan meebrengen. Het sentimentele is ook een beoordelingscriterium: hoe sterker de sentimentaliteit in het kunstwerk, des te minder het intrinsiek van belang is. Scruton definieert sentimentaliteit als volgt: "Sentimentele woorden en gebaren zijn vormen van uiterlijk vertoon: men wendt nobele gevoelens voor terwijl men in feite door iets anders wordt gedreven. Zo richt werkelijk verdriet zich op het object, op de persoon die gestorven is en wordt betreurd, terwijl sentimenteel verdriet zich richt op het subject, op de persoon die treurt, en die er allereerst op uit is om zijn mooie gevoelens aan de wereld te tonen."
Naast deze twee punten van ‘toetsstenen’ kan een criticus zich volgens Scruton ook richten naar andere criteria: oprechtheid, tragiek, diepzinnigheid, elegantie, schoonheid. Scruton: "Al die begrippen duiden intrinsieke eigenschappen van een kunstwerk aan, en nodigen ons uit tot sympathie." Deze esthetische waardeoordelen moeten uiteindelijk leiden tot de vorming van een vaste standaard aan artefacten en cultuurproducten die een toetststeen worden voor verdere vernieuwing aan die cultuur, als een vaste uitvalsbasis als het ware.
Culture Wars
Het is uiteraard zeer moeilijk, moge de lezers mij hiervoor vergeven, om het gehele boek tot in de details weer te geven. Maar ik zou toch nog een aspect uit het boek willen behandelen, dat van groot belang is om te begrijpen waartegen het boek zich in de eerste plaats richt. Scruton hanteert ook het begrip ‘culture wars’ om de oorlogen (intern en extern) tussen de voor- en tegenstanders van Westerse cultuur aan te duiden. Scruton richt zich in dit boek voornamelijk tegen de interne critici en externe critici zoals de Islam. Deze laatste critici heeft Scruton eerder behandeld in The West and the Rest, in het Nederlands vertaald onder de titel Het Westen en de Islam (Houtekiet, 2003).
De interne critci van de Westerse cultuur vinden we terug bij het modieuze cultuurrelativisme dat zich in verschillende vormen heeft gemanifesteerd (onder meer in de academische wereld). In deze visie is de cultuur van het Westen racistisch, patriarchaal en seksistisch. In die zin moet de academicus zich in het nieuwe curriculum een afstand handhaven ten overstaan van deze cultuur en deze pogen te ontmaskeren als zijnde datgene wat hierboven staat vermeldt. Om tot dit resultaat te komen heeft Nieuw Links allerlei methoden bedacht, zoals het deconstructivisme (Derrida), het nieuw historicisme, het structuralisme, het post-structuralisme (Foucault en zijn ‘discours’), het postkolonialisme van Edward Said, Queer Theory, Gender Studies, etc.
De essentie van al deze theorieën is de ‘illusie van de rede’; datgene waarop de Westerse cultuur zich beroept – de rede, objectieve maatstaven, universalisme – is gewoon een middel om macht te verwerven. Het spreekt voor zich dat de kern van dit gedachtegoed (neo-)marxistisch is. Al deze methoden zijn erop gericht om het ‘leugenachtige hart’ van de Westerse cultuur bloot te leggen. Om een voorbeeld te geven van deze methodiek geeft Scruton de theorie van Foucault omtrent het ‘dsicours’. Bij Foucault is namelijk elke waarheid een kind van het actuele vertoog (‘discours’). Scruton: "Lees een willekeurig tijdschrift uit de wereld der geesteswetenschappen en je ziet dat dat de centrale gedachte is in talloze standaarddiscussies: "Het westerse fallocentrisme en het gender-discours"; "Het blank-racistische discours in de romans van Conrad"... Je hebt niet langer te maken met de waarheid of redelijkheid van andermans opvatting, maar direct met de maatschappelijke macht die erin doorklinkt. De vraag luidt niet langer: "Wat zegt u?", maar: "Waar komt uw spreken vandaan?" (...) Het discours is voor Foucault het product van een tijdperk, en het bestaat uit hoofde van de heersende maatschappelijke "macht"."
In het denken van Foucault bestaat waarheid niet, de zogenaamde waarheid is enkel een vertoog dat de maatschappelijke werkelijkheid verhult. Onafhankelijke waarheden bestaan niet, maar worden enkel geconstrueerd door de heersende klasse om hun macht te bestendigen. Door dit neer te leggen en te onthullen geeft Foucault een wapen in handen van Nieuw Links in al haar gedaanten. Uiteraard kan deze specifieke vorm van perspectivisme (cf. Nietzsche: ‘er bestaan geen waarheden, enkel interpretaties’; dat overigens inherent contradictorisch is) worden doorgetrokken tot in het zeer extreme; zo kennen we de inmiddels zeer beruchte uitspraak van Luce Irigaray dat ‘ E=mc^2 een seksistische vergelijking is’, omdat ze ‘een bevoorrechte rol geeft naar de lichtsnelheid ten overstaan van andere snelheden’; ze noemt dit dan ook als behorende tot de ‘male physics’.
Anderzijds hebben we de kritiek die Edward Said (1935-2003) gaf als kritiek op de Westerse intellectuelen en de Westerse cultuur in het algemeen. Deze zouden de neiging hebben om de oosterse beschavingen denigrerend te portretteren. Said noemde deze Westerse “koloniaal-imperialistische” houding oriëntalisme. Maar wederom is het argument van Said zelfvernietigend, zoals ook Scruton zegt: "Terwijl hij ons aanspoort om andere culturen op hun eigen voorwaarden te beoordelen, vraagt hij ons tevens om de westerse cultuur te beoordelen vanuit een extern standpunt - niet om die met echte alternatieven te vergelijken, maar simpelweg om die in ongunstige zin, als etnocentristisch en zelfs racistisch, te beoordelen. Voorts bevestigt de kritiek op de westerse cultuur in feite haar aanspraken op superioriteit. Juist de universalistische visie op de mens brengt ons ertoe om zoveel meer van westerse kunst en literatuur te eisen dan we ooit zouden eisen van de kunst en literatuur van java, Borneo of China."
Scruton wijst ons op het feit dat de westerse cultuur juist uniek is vanwege dit universalistische gedachtegoed, het streven naar objectieve waarheid en de rede dat zo verschillende oosterse werken tot het westers cultureel erfgoed zijn gaan behoren. Overigens is het zeer moeilijk om kritiek te geven op een vermeende ‘etnocentrische en racistische’ attitude, binnen de context van het afwijzen van een universalistische visie op de mens. Het gevolg van een relativisme, en een attitude dat alles toestaat, is juist dat er gecensureerd moet worden om alle tegengestelde visies uit het publieke debat te weren. Dat zie je ook aan de verschillende opkomende academische disciplines: Gender Studies kun je niet succesvol beëindigen indien je jezelf niet onderwerpt aan de feministische theologie; Said zijn postkolonialisme kan enkel gebruikt worden richting westerse cultuur, niet richting alternatieven, enkel antiautoritairen kunnen gebruik maken van Foucault zijn ‘discours’-theorie, enz.
Besluit
Uiteraard kunnen we niet – binnen de context van deze boekbespreking- ingaan op alle verschillende thema’s en punten die worden behandeld in het boek van Roger Scruton, daarvoor is het een veel te rijk werk. Zo zouden we nog kunnen ingaan op de ‘glimpjes hoop’ dat Scruton vaststelt in de hedendaagse ontwikkelingen binnen onze westerse cultuur; Scruton noemt bijvoorbeeld het ‘New Urbanism’ als stroming binnen de architectuur. En we zouden eveneens verder kunnen ingaan op het belang en het hoe van onderwijs met betrekking tot cultuur, de noodzaak aan het conserveren van het tonale stelsel, de nood aan overgangsrites in een cultuur. Dit laatste bijvoorbeeld in de beeldende kunst en de muziek, waar het volgens Scruton vandaag veel te sterk aan ontbreekt. De ruimte hiertoe ontbreekt ons.
Het boek laat naar het einde toe een zekere ruimte voor hoopvol te zijn. Hij signaleert een groeinde beweging tegen het nihilisme van onder meer het postmodernisme. Voor diegenen die het probleem mee onderschrijven (of beter: ook willen onderschrijven) is het hopen dat Scruton in zijn optimisme gelijk heeft.
Naar aanleiding van:
"Waarom cultuur belangrijk is", Roger Scruton, Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2007.